Bodemverontreiniging: beter voorkomen dan genezen

Bodemverontreiniging: beter voorkomen dan genezen

De overheid legt de industrie steeds strengere eisen op om het milieu te beschermen. Wat wel en niet ‘mag of moet’ is niet altijd klaar en duidelijk geformuleerd door de wetgever. Welke voorzieningen dienen bijvoorbeeld getroffen te worden bij de bouw of het onderhoud van voorzieningen die een risico inhouden van milieubelastende bodemvervuiling. Pumps Magazine had er een gesprek over met Vincent Coolsaet, Managing Director van Incafin-Tricyclon, een contractor voor de realisatie van bodembeschermende voorzieningen.

""

Bodembeschermende voorzieningen worden toegepast op plaatsen waar wordt gewerkt met stoffen die schadelijk kunnen zijn voor het milieu. Om het vervuilingsrisico te beheersen, stelt de overheid steeds strenger wordende eisen aan alle voorzieningen die vervuiling van de bodem door milieubelastende stoffen moeten voorkomen.

De risicogroep is vrij groot. Het kan bijvoorbeeld gaan om facilitaire inrichtingen voor onderhoud en herstel van motorvoertuigen (garagebedrijven en brandstofoverslag en -verkooppunten), industriële productiebedrijven (waaronder de chemische, petrochemische, grafische en metaalbewerkingsindus-trie), de agrarische industrie, opslagplaatsen voor afval- en reststoffen, inkuipingen, enz.

De zogenaamde ‘bodembeschermende voorzieningen’ moeten dan zorgen voor een verantwoorde opvang en/of afvoer van alle (vloei)stoffen die niet in de bodem terecht mogen komen. In de praktijk gaat het om constructies zoals vloeistofdichte vloeren of verhardingen, lekbakken, bedrijfsrioleringen, kunststof foliesystemen, minerale afdichtingslagen en de daarbij behorende installaties.

Pumps Magazine had er een gesprek over met Vincent Coolsaet, Managing Director van Incafin-Tricyclon.



Bodembeschermende voorzieningen

Bij de ervaring die met deze voorzieningen zijn opgedaan, is gebleken dat, naast een goed ontwerp, vooral een goede verwerking van de juiste materialen bepalend is voor een goed eindresultaat. Vincent Coolsaet: “De functie van een bodembeschermende voorziening is het uitsluiten of het tot een acceptabel niveau terugbrengen van de kans op bodemverontreiniging. Nu zijn er uiteraard heel wat verschillen in de aard en intensiteit van de bedrijfsprocessen. Daarom zijn ook diverse bodembeschermende voorzieningen en materialen beschikbaar. Traditioneel werden deze onderverdeeld in bovenafdichtingen, onderafdichtingen, combinatieafdichtingen, verticale afdichtingen en geprefabriceerde voorzieningen. Wat hierbij wel belangrijk is, is dat het materiaal waaraan de voorziening zijn vloeistofdichtheid ontleent, gedurende een bepaalde tijd bestand moet zijn tegen de te weren media. Daarom is het noodzakelijk dat wij een juiste definiëring van de mogelijke belasting krijgen van de opdrachtgever zoals de aard van de producten die op de bescherming (kunnen) terechtkomen, de concentratie, temperatuur, enz. Zij vormen het uitgangspunt voor de keuze van het juiste beschermingssysteem. Belangrijk hierbij is ook te weten of de chemische producten continu of enkel in geval van een calamiteit op de bescherming terecht komen”.

Met bodembeschermende voorzieningen moet indringing van schadelijke stoffen in de bodem worden voorkomen om het milieu en de volksgezondheid te beschermen. Bij het toepassen van bodembeschermende voorzieningen is het echter relevant te weten welk eisen worden gesteld en hoe het eindresultaat moet beoordeeld en/of gecontroleerd worden.

Toepassingsgebieden

Bodembeschermende voorzieningen moeten er dus voor zorgen dat vloeistoffen die niet in de bodem terecht mogen komen, op een verantwoorde manier worden opgevangen en eventueel afgevoerd. Specifiek in het geval van inkuipingen moet de afdichting verticaal worden doorgezet om te voorkomen dat vloeistoffen door de wanden naar buiten treden.

Vincent Coolsaet: “Het toepassingsgebied is heel breed. Denken we maar aan inkuipingen , laad- en losplaatsen, opslagtanks, waterzuiveringstations, enz. Elke benadering vraagt zijn eigen aanpak. Zo is het bijvoorbeeld bij het afvoeren van proceswater aangewezen om de afvoergoten te voorzien van een monolitische bekleding die één geheel vormt met de vloerbekleding. Omwille van de meestal hoge temperatuur van het proceswater, heeft men er alle belang bij dat de bekleding niet loskomt en lokaal thermische uitzettingen kunnen worden opgevangen. Aangezien afvoergoten het meest onderhevig zijn aan hoge chemische belasting bij hoge temperaturen, is het noodzakelijk dat interne spanningen in de bekleding minimaal zijn. Tankparken daarentegen vragen een andere benadering. Deze moeten voldoen aan de VLAREM II-norm. Dit impliceert dat de aannemer de vloeistofdichtheid moet kunnen garanderen na applicatie. Ook wat betreft verzamel- en lekopvangbakken moet een gewaarborgde duurzame oplossing geboden worden. Het type bescherming dat hier wordt toegepast en de duurzaamheid zijn afhankelijk van de aard, hoeveelheid, concentratie en temperatuur van de (chemische) vloeistof en dit in relatie tot de toegepaste systeemdikte. Naadloze systemen met een dikte van enkele millimeters genieten hier de voorkeur. Een technische beproeving achteraf op de waterabsorptie, polymerisatiegraad en een controle van de laagdikte zijn dan ook essentieel om de nodige waarborgen te kunnen geven”.

Incaline

""

Sinds maart 2005 is het product Incaline – een eigen ontwikkeld en gepatenteerd tweecomponenten solventvrij vezelversterkt epoxy systeem van Incafin-Tricyclon nv – productgecertificeerd. Deze productcertificatie is tot stand gekomen nadat dit harssysteem een grondige testprocedure had doorlopen. Vincent Coolsaet: “Incaline is een niet cement gebonden systeem en heeft om deze reden een hoge chemische weerstand. De technische eigenschappen van dit product, met name de hechtsterkte op beton en de impactsterkte zijn zeer hoog. Het grote voordeel van dit vezelversterkt harssysteem – dat reeds uithard vanaf 10°C – is dat men de bekleding kan toepassen op een vochtige ondergrond met behoud van de technische eigenschappen. De hechtsterkte tussen het draagvlak en de kunstbekleding worden beproefd aan de hand van een trekproef en een visuele controle, waarbij nagegaan wordt of er geen scheuren aanwezig zijn in de bekleding alsook of de dichtheid van de geplaatste flexibele voegen goed zijn uitgevoerd, is eveneens noodzakelijk. Het Incaline harssysteem wordt toegepast op een gegridstraalde oppervlakte door hand- of spuitmethode. Alle onzuiverheden en resten van vroeger aangebrachte coatings worden vooraf verwijderd zodat een optimale hechting wordt verkregen. De minimale oppervlaktetemperatuur tijdens het aanbrengen van het product mag niet minder zijn dan 12° C, waarbij geen bijkomende eisen worden gesteld voor wat betreft de relatieve luchtvochtigheid. Uitgevoerde werken op basis van solventvrije verzelversterkte epoxyharsen bieden, in mijn ogen, de meest geschikte bescherming voor het duurzaam beschermen van zowel nieuwbouw als bestaande constructies tegen chemische aantasting. Het product hecht zich zowel op beton, steen als staal, en heeft een hoge weerstand tegen zowel inwendige als uitwendige waterdruk”.

Wat is ‘vloeistofdicht’?

Vloeren en verhardingen worden als vloeistofdicht beschouwd, indien gedurende de gebruiksduur de vloeistof aan de niet-belaste zijde niet uittreedt. De bodemverontreinigende vloeistof mag dus wel indringen, maar aan de mate van indringing worden eisen gesteld. Daarom moet worden aangetoond door proeven dat men deze grens niet overschrijdt. Vincent Coolsaet: “De certificatie van vloeistofdichte afdichtingen met kunststofbekledingen van een betonbescherming gaat vooraf aan een gedetailleerd onderzoek. In dit vooronderzoek wordt onderzocht hoe gevoelig het systeem is voor veroudering en wat de invloed is van de inwerking van chemische producten. Aan welke minimum technische vereisten moeten kunststofbekledingen voldoen? Welke laagdikte moet worden toegepast om een gegarandeerde vloeistofdichtheid te kunnen garanderen? Uitgaande van deze prestatie-eisen voor het aangebrachte systeem kan men hierop aansluitend een procedure uitwerken om aan de hand van proeven na te gaan of het aangebrachte bekledingssysteem daadwerkelijk vloeistofdicht is. De capillaire absorptieproef die de indringdiepte van vloeistoffen kan bepalen is dan ook één van de essentiële proeven na applicatie. Voor het uitvoeren van deze proef wordt volgens de norm NBN 15/222 kernen geboord, waarna deze in het labo worden getest op de laagdikte, de hechtsterkte en de vloeistofdichtheid. Bij deze laatste proef wordt gedurende 72 uur een druk van minimum 1 bar en maximum 7 bar uitgeoefend. Om de 24 uur wordt de wateropname gecontroleerd en uitgedrukt in procenten waterabsorptie. Het aantal boringen dat wordt uitgevoerd is enerzijds afhankelijk van de oppervlakte dat is voorzien van een kunstbekleding en anderzijds van de specifieke omstandigheden”.

Vloeistofdichtheid van (beton) constructies maakt deel uit van de preventieve voorzieningen die door de uitbater moeten worden genomen volgens de Vlaamse milieuwetgeving ter bescherming van bodem- en grondwater. Milieubewust en duurzaam ondernemen moet de exploitant aanzetten om er voor te zorgen dat ook hij klaar is voor de toekomst en dat men beter kan voorkomen dan genezen.

(Datum:15/04/2008 15:51:59) © Mainpress nv, EngineeringNet